De wereld kan u onverschillig laten zolang u het goed heeft, zegt de VVD tegen de kiezers. GroenLinks-PvdA en CDA hebben meer vertrouwen in het medeleven dat mensen voor anderen kunnen opbrengen.

Frits Bolkestein vond het een merkwaardige gedachte: dat de meeste mensen proberen het goede te doen. In politiek opzicht was dat denkbeeld volgens de toenmalig VVD-leider zelfs van een naïviteit die het regeringsbeleid in de verkeerde richting kon sturen: kijk maar hoe die verzorgingsstaat steeds maar verder ‘uitdijde’ doordat de overheid een te groot vertrouwen in mensen stelde.
‘Vijf procent van de mensen is goed, vijf procent slecht’, zei hij in 1995 tegen twee verslaggevers van Trouw. ‘Tussen goed en slecht zitten wij, vrinden. Welwillend, een beetje kortzichtig, het vlees is zwak. Je moet de kat niet op het spek binden, dan gaat-ie ervan eten.’
Voor zijn gesprekspartners van de krant met haar gereformeerde wortels had hij een wedervraag. Of zij hem konden vertellen waarom de ARP, de partij van het gereformeerde volksdeel, de leerregel uit de Heidelbergse catechismus dat de mens ‘ganselijk onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’ niet meer serieus nam. ‘Het grote raadsel voor mij is de omslag in de ARP in het midden van de jaren zestig, van het protestantse pessimistische mensbeeld naar het marxistische vooruitgangsgeloof’, zei hij, als zo vaak met een provocerend bedoelde hyperbool: hij wist ook wel dat de Antirevolutionaire Partij en het marxisme als water en vuur waren.
De ARP, een van de partijen die in 1980 zouden opgaan in het CDA, was het juiste spoor bijster geraakt, meende Bolkestein, toen het ‘evangelisch radicalisme’ in de partij aan invloed won. ‘Onvrede met de wereld’ moest volgens deze stroming voortaan de inspiratiebron zijn, met naastenliefde als focus van de politieke koers. Bob Goudzwaard, hoogleraar aan de Vrije Universiteit en in 1977 auteur van het CDA-programma Niet bij brood alleen, legde de intellectuele basis voor deze positiewisseling. Hij herdefinieerde het christen-democratische kernbegrip ‘publieke gerechtigheid’ zo dat de overheid met haar verantwoordelijkheid voor de rechtsstaat was gelegitimeerd tot ingrepen die de wereld beter konden maken.
De paukenslag van dat evangelisch radicalisme gaf ARP-voorman Wim Aantjes op de kop af vijftig jaar geleden met zijn ‘Bergrede’, waarin hij het CDA-in-wording de opdracht voorhield die in het evangelie van Mattheüs besloten ligt: ‘De hongerigen te voeden, de dorstigen te drinken te geven, de vreemdelingen te huisvesten.’ De overheid moet zich door dat appèl aangesproken voelen, vervolgde hij: ‘Want kijk eens om je heen. De hongerigen worden niet gevoed, zij sterven als ratten. De dorstigen worden niet gelaafd, zij worden aan hun lot overgelaten. De vreemdelingen worden niet gehuisvest, zij worden gediscrimineerd en uitgewezen.’
Aantjes’ politieke boodschap was Bolkestein een gruwel: het gewraakte uitdijen van de verzorgingsstaat kwam uit opvattingen als deze voort, meende hij. ‘Wat is solidariteit?’ zei hij kregelig tegen de Trouw-verslaggevers. ‘Solidariteit is als iemand lid wordt van Foster Parents en elke maand geld overmaakt voor een jongetje in Bombay, of donaties verstrekt aan Amnesty International.’
De geest van Bolkestein is goed traceerbaar in het VVD-programma voor de komende Tweede Kamerverkiezingen. Zo doet de partij ontwikkelingshulp waar Nederland zelf niets aan overhoudt af als ‘deugpolitiek’ – en de VVD heeft niets op met deugen, want ‘moralistische politiek’ dient het ‘strategische belang’ van Nederland niet.
Je kunt die afkeer van ‘deugpolitiek’ niet los zien van het hoofddoel van het VVD-programma: ruim baan geven aan economische groei. ‘Het is tijd voor radicale economische groei’, schrijft de partij. ‘Niet alleen om ons staande te houden in een snel veranderende wereld, maar ook omdat groei simpelweg goed is. Groei is verbonden met vrijwel alles wat het leven mooi maakt: kansen om er wat van te maken en vrijheid om het leven vorm te geven zoals jij dat wilt. Het alternatief is een keuze voor verval. Voor afbraak. Voor een lege portemonnee.’
Het geloof in de markt is weer helemaal terug. In de laatste jaren van Mark Rutte’s premierschap leek de partij te onderkennen dat het beleid van bezuinigen, taken afstoten, privatiseren, decentraliseren de overheid krakkemikkig heeft gemaakt. Het kabinet-Rutte IV (2022-’24) maakte een kloeke corrigerende beweging, met het terughalen van verantwoordelijkheden naar de overheid en met miljarden extra voor de bestrijding van de klimaatcrisis, de stikstofvervuiling, de woningnood en de armoede.
De inkeer blijkt van korte duur. ‘De vrije markt wist het in de geschiedenis altijd beter dan de overheid’, staat nu in het programma. ‘Door de overheid klein te houden geven we ruimte aan de vrije markt.’ Omdat de markt superieur is aan de overheid, redeneert de VVD, moeten bedrijven en ook hun klanten zo min mogelijk belemmeringen worden opgelegd. Anders komt er een rem te staan op consumptie en productie, wat ten koste gaat van het hoogste doel: radicale economische groei.
Dus pleit de VVD voor ‘realisme in klimaatbeleid’, een daadkrachtig klinkend stempel voor een beleid van afremmen, afzwakken en afschalen en voor een ‘minder eenzijdige’ focus op het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Autorijden moet goedkoper worden en het wegennet nog verder uitgebreid. Ook bij het vliegverkeer moet de rem eraf: Schiphol mag verder groeien, een nachtsluiting voor het vliegveld is taboe, Lelystad Airport mag toch open. Vliegen moet ‘betaalbaar’ blijven, staat in het programma: ‘Vliegen is voor vele Nederlanders dé manier om na een jaar hard werken op een welverdiende vakantie te gaan.’
Volgens de Hongaarse politicoloog Bálint Magyar, hoogleraar aan de Central European University in Wenen, schuilt de aantrekkingskracht van populistische politiek in ‘de belofte dat je je niet om andere mensen hoeft te bekommeren’. Dat verschaft de kiezers een vrijbrief om de eigen grieven voorop te zetten en maatschappelijke normen aan hun laars te lappen. Dat ‘moreel ongeremd collectief egoïsme’, zoals Magyar het typeert, is een vorm van vrijheid zonder besef van verantwoordelijkheid voor mensen buiten jouw eigen kring. In het VVD-programma zie je dat mensbeeld van het moreel ongeremde individu terug. Met een beroep op het hogere doel van economische groei legitimeert de VVD de kiezers om zich niks van anderen, hier of in het buitenland, noch van de toekomst aan te trekken en onbekommerd te blijven consumeren, vliegen, autorijden, vlees eten. De stilzwijgende boodschap: de wereld kan u onverschillig laten zolang u het goed heeft.
Wie in de VVD-annalen zoekt naar de intellectuele bronnen waaruit dat solitaire mensbeeld voortkomt kan opnieuw niet om Bolkestein heen. In zijn boek De twee lampen van de staatsman (2006) brak de oud-leider, aan wie Dilan Yesilgöz zich bij herhaling spiegelt, een lans voor ‘deugdelijke ondeugdelijkheid’ als drijvende kracht van de samenleving. Hij redeneerde dat de economie floreert – en daarmee ook de maatschappij – dankzij mensen die geen rem zetten op hun slechte eigenschappen, hebzucht of egoïsme bijvoorbeeld.
Bolkestein ontleende dat denkbeeld aan Bernard Mandeville, een achttiende-eeuwse arts en filosoof, die in The Fable of the Bees de individuele ondeugd aanwees als de bron van het algemeen welzijn. Vandaar de ondertitel van zijn gedicht: Private Vices, Public Benefits. Mandeville woonde in Londen, waar hij volgens Bolkestein tot het inzicht kwam dat slechtheid op individueel niveau voor de stedelijke samenleving een zegen is: ‘De motor van de grote stad draaide op een brandstof die alom aanwezig en onuitputtelijk was: de natuurlijke slechtheid van de mens. De stad was een broeinest van ondeugd.’ En zo ontstond, vervolgt Bolkestein, een nexus van commerciële activiteit met per saldo een positief resultaat voor het geheel. ‘Zonder ijdelheid geen mode-industrie. Zonder losbandigheid geen kroegen, restaurants of nachtleven. Zonder consumentisme minder economische bedrijvigheid en werkgelegenheid.’
Bolkestein prees Mandeville als ‘misschien wel de grootste politieke denker die ons land heeft voortgebracht – en in elk geval de origineelste’. Zijn intellectuele held verschafte hem de politieke argumenten om opponenten te bekritiseren die vertrouwden op goede aanvechtingen in mensen. Typisch zo’n misverstand van links, vond hij. ‘Zij die geloven dat de menselijke natuur zuiver en goed is, geven de maatschappij de schuld van al het kwaad in de wereld’, schreef hij. ‘Zij trekken ten strijde tegen instellingen en demoniseren geld, handel en eigendom. Zij die daarentegen geloven dat de mens van nature slecht en zelfs gewelddadig is, zien in geld, handel en eigendom een matigende invloed.’ Hij concludeerde: ‘Kwade bedoelingen leiden soms tot goede resultaten. Maar omgekeerd geldt deze stelling ook: goede bedoelingen hebben soms kwade gevolgen, vooral als overheden goede bedoelingen hebben.’
Het is altijd tricky om uit ideologische verschillen en overeenkomsten tussen politieke partijen conclusies te trekken over coalitievorming. In de strijd om de machtsposities speelt zoveel meer dan louter idealen: krachtsverhoudingen tussen de partijen, gewiekstheid in onderhandelen, persoonlijke verhoudingen, de gewenste beeldvorming.
Toch loont het de moeite de ideologieën van partijen en het achterliggende mensbeeld tegen het licht te houden. De terugkeer van het denkbeeld dat de vrije markt het altijd beter weet en de overheid daarom ‘fundamenteel moet inkrimpen’, aldus het verkiezingsprogramma, laat zien dat het neoliberalisme in de VVD springlevend is, met als gevolg een programma waarin alle solidariteit die geld kost, zoals de verzorgingsstaat en ontwikkelingssamenwerking, moet bloeden voor de economie. Een individualistische prestatiemoraal is inherent aan het mensbeeld dat in het neoliberalisme is ingebakken: succes is je eigen verdienste en tegenslag het gevolg van je eigen falen.
Wat ook valt op te maken uit de recente parlementaire geschiedenis: partijen die al te veel een loopje nemen met hun eigen ideologie moeten dat bezuren, ook electoraal. Het CDA raakte in een langdurige crisistoestand nadat de partij in 2010 gemene zaak maakte met Geert Wilders, wiens PVV waarden als naastenliefde smalend als ‘deugpolitiek’ afdoet en bovendien de godsdienstvrijheid, een van de grondprincipes van de christen-democratie, wil afschaffen. De PvdA dwaalde langdurig rond op de Derde Weg, een ideologische ratjetoe dat eerder neoliberaal dan sociaal-democratisch was gestempeld. De partij zakte uiteindelijk diep weg nadat zij in het kabinet-Rutte II medeverantwoordelijkheid nam voor een verdergaande flexibilisering van de arbeidsmarkt en bezuinigingen op de verzorgingsstaat, zoals de sluiting van sociale werkplaatsen.
Met de keuze die Yesilgöz in 2023 maakte voor een coalitie met de PVV en de BBB gaf de VVD haar aloude positie van slaperdijk tegen ultrarechts op. De partij probeert nu herstelwerk te verrichten met een hard materialistisch programma, maar daarmee maakt zij de reputatieschade nog niet goed die zij zichzelf heeft berokkend door de rechtsstatelijkheid en de immateriële waarden uit het eigen beginselprogramma te verzaken: vrijheid, verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en sociale rechtvaardigheid. In de peilingen tekenen zich de electorale repercussies al af. De afstraffing die dreigt kan de partij zoveel stress bezorgen dat het risico op een leegloop, of zelfs breuken in de eigen gelederen, niet denkbeeldig is.
‘Solidariteit, Wouter, daar gaat het ons toch om? Daarvoor zijn we toch opgericht?’ Met die woorden probeerde Frans Timmermans in 2007 zijn fractiegenoot Wouter Bos, toenmalig PvdA-leider, ideologisch bij de les te houden toen hij hem zag weifelen over de sociaal-democratische idealen: een van de symptomen van dat ronddolen op de Derde Weg.
Zoals de titel al doet vermoeden is in Tijd voor solidariteit, een eerste schets voor een beginselprogramma van de fusiepartij GroenLinks-PvdA, solidariteit weer het basisprincipe. ‘De kern van onze politiek is de overtuiging dat we onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Pas als het goed gaat met ieder van ons, gaat het goed met de samenleving’, schrijven de wetenschappelijke bureaus van beide partijen in hun gezamenlijke manifest. Ze vervolgen: ‘Maar steeds vaker worden we tegenover elkaar gezet. Ongelijkheid neemt toe en ontwricht onze samenleving. De meest kwetsbare mensen worden het hardst geraakt door de klimaatcrisis. De natuur wordt onherstelbaar aangetast. Onze democratie staat onder druk en splijtende krachten wijzen zondebokken aan. Als we niet oppassen, dan worden we een land van ieder voor zich.’
Verschenen in De Groene Amsterdammer nr. 43-44 (22 oktober 2025).