In de formatie vergt de dreiging van de klimaatcrisis de keuze voor daadwerkelijk realistisch beleid, in plaats van de daadkrachtig klinkende verzinsels van rechts. Dat schrijft Marcel ten Hooven.
Het grootste probleem van deze tijd kreeg een armetierig bijrolletje in de verkiezingscampagne: de existentiële dreiging die uitgaat van de klimaatcrisis en de ineenstorting van de biodiversiteit. Dat wil niet zeggen dat het probleem uit de politiek is verdwenen. Integendeel, het blijft een permanente spanningsbron door de frustratie die het bij politici teweegbrengt: wat zij de kiezers aan vooruitgang beloven stuit op steeds nauwere ecologische grenzen.
De ervaring met het hompelkabinet-Schoof spreekt boekdelen. Vooral de rechts-populistische coalitiepartijen PVV en BBB maakten in dat kabinet bokkensprongen met de waarheid, door de degeneratie van het milieu vergaand te relativeren of domweg te doen alsof ‘links’ de klimaat- en biodiversiteitscrisis uit de duim heeft gezogen.
Het blijft niettemin een feit dat de ecologische grenzen minder rekbaar zijn dan hun zelf gecreëerde waarheid over het probleem. “Ons consumptiepatroon veroorzaakt een mondiale voetafdruk die fundamenteel onhoudbaar is”, schrijft ook Hans Stegeman, hoofdeconoom van de Triodos Bank, in NRC. “De aarde kan simpelweg niet herstellen in het tempo waarin wij haar uitputten.”
‘Radicale groei’ mogelijk maken?
Met dat feit kan ook de VVD, een van de kanshebbers op een plek in het nieuwe kabinet, moeilijk uit de voeten. Zij wil de economie alle ruimte geven, staat in het verkiezingsprogramma, om een ‘radicale groei’ mogelijk te maken. Omwille van dat doel legitimeert zij de ‘hardwerkende Nederlanders’ zich niets van de toekomst aan te trekken en onbekommerd te blijven autorijden, vliegen, vlees eten, spullen kopen, want hoe hoger het consumptiepeil, hoe radicaler de economische groei. Dit is de stilzwijgende boodschap die de VVD daarmee aan de kiezer afgeeft: de wereld kan u onverschillig laten zolang u het goed heeft.
Op deze manier reduceert de partij van Dilan Yesilgöz de kiezers tot consumenten die bij het uitbrengen van hun stem louter op hun eigen belang hoeven te letten. Dat doet afbreuk aan de morele dimensie van de democratie: die van kunst van het samenleven. In die betekenis veronderstelt de democratie bij de kiezers een sociaal bewustzijn, dat vergt dat zij bij het uitbrengen van hun stem niet louter aan zichzelf maar ook aan de belangen van anderen denken.
‘Realisme in klimaatbeleid’ is een daadkrachtig klinkend stempel voor lamlendig beleid
De VVD en aanverwante partijen op rechts, zoals JA21, een andere kanshebber op ministersposten, willen de kiezers doen geloven dat de groei van de materiële welvaart eindeloos kan doorgaan, alsof er geen ecologische grenzen bestaan. Het woord ‘realisme’ ligt politici die deze schijnwerkelijkheid aan de man willen brengen in de mond bestorven. De VVD pleit voor ‘realisme in klimaatbeleid’, een daadkrachtig klinkend stempel voor lamlendig beleid van afremmen en afzwakken. JA21-lijsttrekker Joost Eerdmans noemt zichzelf ‘klimaatrealist’, wat in zijn partij synoniem is met net doen alsof de klimaatcrisis een verzinsel is, ‘achterlijke klimaatonzin’, in de woorden van zijn fractiegenote Annabel Nanninga.
Verbale agressie
Een bijverschijnsel bij partijen die ronddolen in deze schijnwerkelijkheid is dat zij de tegenspraak van de feiten allengs minder dulden. Uit de parlementaire annalen van de afgelopen jaren is een reeks voorbeelden te putten van toenemende verbale agressie tegen onderzoekers of kennisinstituten die onwelkome informatie aandragen over de ernst van de klimaat- en biodiversiteitscrisis. Die kennis is ‘ook maar een mening’, heet het dan. Reacties krijgen een destructief gehalte als politici rapporten of adviezen die hun onwelgevallig zijn aanwenden om instituties als de Raad van State of het Planbureau voor de Leefomgeving verdacht te maken als partijdig of politiek gekleurd.
In een democratisch bestel waarin kennis er niet meer echt toe doet verwordt het beleid tot een feitenvrije bedoening. Het gevolg heeft zich gemanifesteerd in het jaar van stilstand en achteruitgang waarmee het kabinet-Schoof de natie heeft opgezadeld.
In NRC zette minister van staat Herman Tjeenk Willink, oud-vicepresident van de Raad van State, nog eens uiteen welk belang burgers hebben bij politici die de democratische rechtsorde bewaken en dus niet als voetveeg gebruiken. “We zijn veel te goed van vertrouwen geweest dat het wel goed zit”, zegt hij. “Je moet het fundament van de democratie onderhouden, anders gaat het rotten. Zeker nu er krachten zijn die zeggen: die democratische rechtsorde zit ons alleen maar in de weg.”
Tot de democratische rechtsorde rekent hij niet alleen de grondrechten die mensen beschermen tegen willekeur en machtsmisbruik door de staat, maar ook wat hij het ‘institutioneel arrangement’ noemt: “Het stelsel waarin politiek, bestuur en rechtspraak met elkaar in evenwicht moeten zijn.”
De eerste vereiste voor het goed functioneren van dat stelsel is dat politiek, bestuur en rechtspraak elkaar in hun waarde laten en dus geen loze verdenkingen over en weer spuien. In de komende formatie hoeft dit democratisch normbesef niet per se de doorslag te geven. Toch zou het niet zo’n gek idee zijn om de onderhandelaars aan de formatietafel te vragen of zij institutionele tegenspraak als nuttige kritiek beschouwen, dan wel als een ergerniswekkende bemoeienis waarmee ze de kachel kunnen aanmaken. Hun antwoord is ook van belang voor wie uitziet naar een realistische benadering van de klimaat- en milieucrisis.
Verschenen in dagblad Trouw op 31 oktober 2025.
