Ook Jetten kiest voor de rijken

Het asociale kabinet

Met hun coalitie met de VVD hebben CDA en D66 zich geëngageerd met de belangenbehartigers van het maatschappelijk destructieve hyperkapitalisme. De prijs: gerommel rond de totstandkoming van ’s lands begroting en beleid dat de samenleving verder splijt.

Politici
Premier Rob Jetten en minister van Financiën Eelco Heinen op weg naar de begrotingsraad over de miljoenennota. Den Haag, 31 augustus
© Lina Selg / ANP

‘Het geloof dat de rijken te weinig geld hebben en de armen te veel’, zei de Amerikaanse politicus en burgerrechtenactivist Jesse Jackson in 1988 over Reaganomics, zoals het maatschappelijk ontwrichtende neoliberalisme dat gaandeweg terrein won in de westerse wereld toen nog bekend stond.

Je kunt Jacksons uitspraak ook zien als kenschets van de politieke overtuiging die uit het regeerakkoord van het kabinet-Jetten spreekt. CDA’ers en D66’ers reageren verongelijkt als je dat zegt – ‘doe niet zo negatief!’ was een van de reacties – maar de lastenverdeling die ze aan de formatietafel hebben afgesproken met coalitiepartner VVD komt toch echt daarop neer: mensen met een uitkering krijgen door het kabinetsbeleid een rekening van miljarden euro’s gepresenteerd, vermogenden kunnen ongestoord op hun geld blijven zitten.


In de onderhandelingen over de Miljoenennota probeerden D66 en CDA dat onderhandelingsresultaat te corrigeren, met een evenwichtiger verdeling van de lasten als inzet, maar dat is een vorm van berouw die na de zonde komt. De onontkoombare conclusie uit het voorgenomen kabinetsbeleid is dat VVD, CDA en D66 ervoor terugschrikken de groeiende ongelijkheid te keren. Zo laten ze een splijtzwam in de samenleving voortwoekeren.

Uit wat nu is uitgelekt uit de Miljoenennota laat zich zeker nog niet de conclusie trekken dat de antimaatschappelijke teneur in het beleid is gekeerd. Het kabinet is bereid de verhoging van het eigen risico in de zorg en de bezuinigingen op de uitkeringen voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid een jaar uit te stellen, om zo tijd te kopen voor onderhandelingen over een sociaal akkoord met werkgevers en werknemers, maar van afstel is geen sprake. Daarom voelen de vakcentrales FNV en CNV er vooralsnog niets voor om met het kabinet aan tafel te gaan zitten, maakten ze ogenblikkelijk duidelijk: mensen die hun baan verliezen of arbeidsongeschikt raken dreigen nog altijd de rekening voor het kabinetsbeleid gepresenteerd te krijgen. Tegelijkertijd pakt het kabinetsbesluit om de belastinghervorming van box 3 uit te stellen gunstig uit voor de meervermogenden.

‘Het komt erop neer dat de rijken weer hebben gewonnen’, was eerder in Trouw het commentaar van econoom en oud-bestuurder van Robeco Jaap van Duijn op de koers van het kabinet. En in de NRC concludeerde Marike Stellinga in haar wekelijkse beschouwing: ‘Weet je wat voor mij de afdronk is? Dat de mazzelaars, degenen die al een betere uitgangspositie hebben, via het belastingstelsel nog eens een extra zetje krijgen.’

Het hyperkapitalisme, met een meer politiek geladen term aangeduid als neoliberalisme, zette de trend in gang om vermogens, bedrijfswinsten, erfenissen allengs lager te belasten, telkens weer met een beroep op ‘het ondernemingsklimaat’. Partijen die deze trend aanjagen, de VVD met haar niet aflatende inzet voor lastenverlaging voorop, zeggen bij herhaling dat de overheid te groot is en te veel geld uitgeeft. Zo vreemd is het niet als mensen belastingen dan gaan ervaren als een kwistige greep van de overheid in hun portemonnee, en niet meer als een bijdrage die zij als burger verschuldigd zijn aan de publieke diensten.

Ook het idee van wat sociale zekerheid is wijzigde. Achter de naoorlogse verzorgingsstaat ging een humanitair ideaal schuil: een zo fatsoenlijk mogelijk bestaan voor mensen die buiten hun schuld met tegenslag kampen. In de neoliberale perceptie is het uitkeringsstelsel daarentegen een voorziening die de ondernemersgeest bij mensen in de versukkeling brengt, en bovenal een kostenpost waarop telkens weer moet worden bezuinigd omdat het anders ‘niet houdbaar’ zou zijn. Of, in de meest radicale optiek, een geldslurper ten bate van mensen die hun kans niet hebben gepakt.

Publiek intellectueel Kees Schuyt wees op de ‘polarisatie van levenskansen’ die ontstaat als de neoliberale geest vaardig wordt over het politieke denken en het beleid. Voor mensen met aanwassende vermogens zal de betaalbaarheid van woningen, zorg, onderwijs, kinderopvang, gezonde voeding nooit een probleem zijn, voor mensen met minder geld en relaties daarentegen juist een dagelijkse kopzorg. Het Sociaal en Cultureel Planbureau waarschuwde bij monde van zijn toenmalige directeur Kim Putters al eens voor de maatschappelijk ontwrichtende gevolgen die de toenemende ongelijkheid in levenskansen kan hebben. Zeker als bij de mazzelaars de gedachte postvat dat hun comfortabele leven louter hun eigen verdienste is, en zij van de minder fortuinlijke zeggen: eigen schuld, dikke bult.

Dit is het antigemeenschappelijke trekje in het neoliberalisme: het normaliseert het denkbeeld dat de samenleving bestaat uit winners en losers. In The New York Timesvatte columnist David Brooks de maatschappelijke gevolgen aldus samen: ‘Een geleidelijk verlies van solidariteit, een geleidelijke toename van vervreemding en vijandigheid tegenover elkaar. Zo voelt het om in een maatschappij te leven die uiteenvalt.’

Politiek vertaalt dat verlies van solidariteit zich ook in de antistemming die rond ontwikkelingssamenwerking is ontstaan. Ook hier heeft het humanitaire ideaal onder invloed van de protagonisten van het neoliberalisme plaatsgemaakt voor economisch nutsdenken. Zij aan zij met de partijen van ‘het eigen volk eerst’ doet de VVD ontwikkelingshulp waar Nederland zelf niets aan overhoudt in haar programma af als ‘deugpolitiek’ – geen misverstand: dat bedoelt zij negatief.

De allengs drastischer inperking van de rechten van asielzoekers is een ander voorbeeld van de tanende solidariteit. Brooks’ vrees voor vervreemding en vijandigheid die daarvan het gevolg kunnen zijn is in Nederland bewaarheid met de geweldsexplosies in de dorpen waar de gemeente asielzoekers opvang wilde bieden. De vijandigheid krijgt hier het xenofobische karakter van onberedeneerde haat tegen vreemdelingen, een fenomeen dat politici die een zondebok zoeken voor alles wat hun kiezers dwarszit goed uitkomt. Ook in dit geval ontpopt de VVD zich als een snode factor in de politiek, met haar permanent geëtaleerde onwilligheid om de belofte in het regeerakkoord gestand te doen en zich tot de spreidingswet te verplichten. Telkens weer beantwoordt partijleider en minister Dilan Yeşilgöz de vraag of zij de spreidingswet steunt met de dooddoener dat ‘Nederland meer grip moet krijgen op asiel’.

Dat het neoliberalisme in de VVD springlevend is, blijkt uit haar ongeschokte geloof in het dogma dat de markt superieur is aan de overheid. ‘De vrije markt wist het in de geschiedenis altijd beter dan de overheid’, poneert de partij in haar programma. Zij wil de overheid ‘fundamenteel inkrimpen’, opdat de economie met zo min mogelijk belemmeringen wordt belast. Alle solidariteit die geld kost, zoals de verzorgingsstaat en ontwikkelingssamenwerking, moet daarom bloeden voor de economie, evenals degenen die de VVD niet rekent tot ‘de hardwerkende Nederlanders’. De stilzwijgende boodschap die de VVD met die keuzes afgeeft is deze: de wereld kan u onverschillig laten zolang u het goed heeft.

Lees verder in de Groene

 


Verschenen in De Groene Amsterdammer nr. 37 (7 september 2026).