De nieuwe defensiepolitiek brengt in Nederland een schifting teweeg die bepalend kan zijn bij de kabinetsformatie. Zowel aan de linker- als aan de rechterflank van de politiek tekenen de uitersten zich af.

© Rob Engelaar / ANP
Europa staat oog in oog met een Amerikaanse president die lak heeft aan de naoorlogse veiligheidsorde en een Russische president die beproeft hoever hij kan gaan in zijn oorlogszucht tegen het Westen. Onder invloed van die geopolitieke constellatie tekenen zich ook in de Nederlandse politiek nieuwe scheidslijnen af. In de kabinetsformatie kunnen die een bepalende factor worden als de partijen klare wijn moeten schenken over de keuzes die een nieuwe defensiepolitiek vergt. Aan beide zijden van het politieke spectrum dienen zich nu al potentiële afvallers aan: links de SP, rechts de VVD.
De SP duikt weg in isolationisme, de VVD radicaliseert verder in een ultra-rechtse richting en vervreemdt zich daarmee van andere partijen die uit de geopolitieke spanningen concluderen dat een hoger defensiebudget onontkoombaar is.
Het standpunt van de SP komt erop neer dat haar weerzin tegen het ‘spekken van de Amerikaanse oorlogsindustrie’, in de woorden van partijleider Jimmy Dijk, zwaarder weegt dan het risico dat de Russische president Poetin daadwerkelijk een militaire confrontatie met het Westen over heeft voor zijn dromen over het herstel van het groot-Russische rijk.
Dijk noemt de nieuwe defensienorm van de Navo (3,5 procent van het nationaal inkomen) consequent ‘Trump-norm’. Daarmee wil hij zeggen dat de Europese Navo-lidstaten vooral de Amerikaanse president een plezier hebben willen doen, hoewel ze samen met Canada nu al meer uitgeven aan defensie dan Rusland, ook na correctie voor het koopkrachtverschil tussen de dollar en de roebel (een factor 1,7 meer).
Met zo’n cijfermatige benadering kan de SP de politieke context van de toenemende Russische agressie tegen Europa buiten beeld houden. In een reeks analyses komt het European Policy Centre tot de slotsom dat het risico op confrontaties toeneemt, gezien de mate waarin Moskou zijn revisionistische ideologie heeft verhard, een oorlogseconomie heeft opgebouwd en strategische partnerschappen met China, Iran en Noord-Korea heeft gesmeed. Volgens de Brusselse denktank ontkomt Europa daarom niet aan een politiek van afschrikking die miljardeninvesteringen noodzakelijk maakt, in ieder geval zolang Poetins regime aan de macht is.
Het onderzoeksinstituut staat allesbehalve alleen in deze analyse. Door de extra uitgaven aan defensie af te doen als louter investeringen in het militair-industrieel complex kan de SP niettemin het risico dat het Poetin menens is buiten haar blikveld houden. Ondanks de Russische inval in Georgië (2008), de annexatie van de Krim (2014), de inval in Oekraïne (2022), de opbouw van een troepenmacht aan de grens met Finland en de schendingen van het luchtruim boven Polen en Estland ‘gelooft’ de SP niet dat de dreiging van een militair conflict met Rusland ‘zo groot is als men doet voorkomen’, zei partij-ideoloog Ruud Kuin in De Groene. ‘Naar mijn mening is Poetin niet uit op landjepik, of een uitbreiding van zijn invloedssfeer – dat is het frame dat wordt neergezet.’ Europa is volgens hem dan ook eerder verantwoordelijk voor de oplopende spanning met Rusland, blijkt uit zijn opmerking dat ‘Europese politici’ de dreiging aan de Russische grens hebben ‘aangezwengeld’.
Bezien vanuit dit perspectief is het verklaarbaar waarom de SP geen boodschap heeft aan de noodzaak dat de Europese Navo-lidstaten tegenover Poetin de rijen gesloten houden, ook niet nu ze met een wispelturige president in het Witte Huis er allesbehalve zeker van kunnen zijn dat Amerika zich gebonden acht aan het fundamentele principe waarop de Navo is gebouwd: een aanval op één lidstaat is een aanval op alle lidstaten. De ironie is dat de SP met haar onverschilligheid over de eenheid onder de Europese Navo-lidstaten Trump daadwerkelijk een plezier doet: Europa breken, dat ziet hij wel zitten.
Het is onwaarschijnlijk dat na de verkiezingen een compromis over de defensiepolitiek mogelijk is tussen de SP en partijen die haar isolationisme beoordelen als naïeve roekeloosheid. Ook GroenLinks-PvdA behoort tot die partijen, sinds zij heeft ingestemd met de nieuwe Navo-norm. In een nota van de fusiepartij over het Europese veiligheidsbeleid formuleert zij haar overwegingen als volgt: ‘De pogingen om, na het einde van de Koude Oorlog, tot “gedeelde veiligheid” te komen in Europa – door middel van samenwerking tussen de Navo en Rusland, versterking van de OVSE, wapenbeheersingsakkoorden en handel – zijn stukgelopen op agressief Russisch revisionisme en revanchisme. Zolang in Rusland een autocratisch regime heerst dat bereid is oorlog te voeren voor het herstel van het Russische Rijk, de Europese veiligheidsarchitectuur wil vernietigen en alle zwakheden van EU- en Navo-landen aangrijpt voor hybride oorlogsvoering, heeft Europa een levensgroot veiligheidsprobleem.’
Volgens GL-PvdA gaat de dreiging uit Rusland voorlopig niet meer weg. Ook wijst zij op de permanente onzekerheid die de grilligheid van Trump en de anti-Europese sentimenten van zijn regering voor Europa teweegbrengen. ‘Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog kunnen we niet meer op de Amerikanen rekenen en mogen we er niet langer blind op vertrouwen dat de Amerikanen ons nog te hulp schieten bij een Russische aanval.’ GroenLinks-PvdA trekt daaruit de conclusie dat Europa zelfs met een toekomstige Democratische president meer over zal moeten hebben voor zijn eigen veiligheid.
De SP houdt de geestverwante partij wel een lastig dilemma voor: hoe voorkom je dat de verzorgingsstaat en de publieke diensten, al erg ingesnoerd door decennia neoliberaal georiënteerd beleid, nog stiefmoederlijker worden bedeeld als er jaarlijks zestien tot negentien miljard euro extra uit de staatskas naar defensie gaat?
In Europa zijn er voorbeelden te over van regeringen die de extra defensie-uitgaven willen bekostigen met bezuinigingen op de sociale zekerheid en overheidsdiensten. De bijna permanente crisissituatie in de Franse politiek is niet los te zien van de aankondiging van Emmanuel Macron dat de overheid in een ‘brutere’ wereld budgettaire offers moet brengen, terwijl hij tegelijkertijd onwillig is om de rijke Fransen daarvoor extra te belasten. De Belgische minister van Defensie, Theo Francken (N-VA), laat geen misverstand bestaan over zijn inzet: de begroting van de sociale zekerheid is ‘te dik’, dus een geschikte financiële bron voor de verhoging van het militaire budget. In Macrons en Franckens uitspraken is hun liberale inborst herkenbaar, maar ook een sociaal-democraat als de Britse premier Keir Starmer heeft voor de financiering van zijn Rearm Europe-initiatief het oog laten vallen op bezuinigingen op de solidariteit: het mes gaat in het Britse budget voor ontwikkelingshulp.
Je krijgt de indruk dat het een wet van Meden en Perzen is dat de verzorgingsstaat moet bloeden voor de hogere uitgavennorm van de Navo, maar dat hoeft niet zo te zijn. In vergelijkbare omstandigheden maakte president Roosevelt in de VS in de jaren dertig al een andere keuze.
In zijn boek De wisselwachter beschrijft Geert Mak hoe Roosevelt aan alle kanten onder druk kwam te staan toen hij vanwege de dreiging van nazi-Duitsland de investeringen in de Amerikaanse krijgsmacht verveelvoudigde. Charles Lindbergh, leider van de isolationistische America First-beweging, sprak van ‘defensiehysterie’: hij vond de oorlog die Hitler had ontketend een ‘binnenlandse aangelegenheid’ van Europa waar de VS zich verre van dienden te houden. Aan de andere kant van het politieke spectrum stonden pacifisten en liberalen, die vreesden dat de oorlogsvoorbereidingen de sociale vooruitgang die Roosevelt met zijn New Deal-programma had geboekt teniet zouden doen.
Roosevelt zette beide miljardeninvesteringen door, zowel in defensie als in de New Deal, zijn sociale programma tegen de armoede en de massawerkloosheid. Zijn politieke motief was dat zijn regering met de New Deal de democratie wilde beschermen tegen het ondermijnende effect van de diepe economische depressie van de jaren dertig. Dan zou het toch ongerijmd zijn om dat initiatief te offeren aan de strijd tegen de antidemocratische fascisten.
De keuze tussen ‘guns or butter’ was in Roosevelts ogen dus een vals dilemma, en dat is het volgens Shahin Vallée en Joseph de Weck ook nu nog. Roosevelt kreeg het benodigde geld bij elkaar door de staatsschuld steil te laten oplopen. Nu zijn er andere mogelijkheden, betogen Vallée, verbonden aan de German Council for Foreign Relations in Berlijn, en De Weck, medewerker van het Foreign Policy Research Institute in Philadelphia. ‘Europa zou verkeerde lessen uit de geschiedenis trekken als het de verzorgingsstaat zou verzwakken om de militaire staat op te bouwen’, schrijven zij in The Guardian. ‘In plaats van de sociale uitgaven te verlagen, zouden de Europese regeringen de belastingen op bedrijven en kapitaal moeten verhogen.’
Zo’n fiscale ingreep zou de juiste les zijn die je uit de geschiedenis kunt trekken, betogen Vallée en De Weck. Het is volgens hen een hardnekkig misverstand dat de miljarden die na de val van de Muur vrijkwamen uit de defensiebudgetten – het ‘vredesdividend’ – vooral aan betere sociale voorzieningen en publieke diensten zijn besteed. In het triomfalisme over de mislukking van de staatseconomie in de Sovjet-Unie zijn de westerse regeringen juist op de neoliberale toer gegaan: ze staken het vrijkomende geld vooral in lastenverlichting voor burgers en bedrijven en bedeelden de publieke sector nogal karig.
Het gemiddelde tarief van de winstbelasting in westerse landen halveerde, becijferen Vallée en De Weck, en ook de vermogens- en kapitaalbelastingen gingen rap omlaag: ‘Het vredesdividend bleek in werkelijkheid een bonus voor de rijksten in Europa.’ Zonder aanpak van de onrechtvaardigheden in de belastingheffing, de bron van de groeiende ongelijkheid, kunnen regeringen het wel vergeten dat zij voldoende publieke steun verwerven voor blijvend hogere defensie-uitgaven, concluderen zij. ‘De vrede bewaren aan het thuisfront is net zo belangrijk als standhouden in de loopgraven. Alleen het vooruitzicht van een betere en eerlijkere wereld zal onze samenlevingen verenigd en strijdbaar houden.’
Verschenen in De Groene Amsterdammer nr. 41 (7 oktober 2025).